Zweden is vooral een land om naar buiten te gaan. Zo’n 70 procent van het land is bedekt met bos en langs de kusten liggen duizenden eilanden (bron: Visit Sweden). In het noorden zie je in de winter het noorderlicht en in de zomer een zon die niet ondergaat. Wat je er doet, hangt dus vooral af van twee keuzes: welk deel van het land je bezoekt en in welk seizoen je gaat.
In het zuiden draait een reis om stranden, oude stenen en elanden in de bossen van Småland. Midden-Zweden is het land van meren en watervallen. Wie verder naar het noorden rijdt, komt uit bij de Hoge Kust en de bergen van Lapland. Hieronder vind je per regio de plekken die de reis waard zijn, met onderaan een overzicht per seizoen. De basis over het land, van de ligging tot de grote steden, staat op de pagina over reizen door Zweden.
Stockholm en de scherenkust
De hoofdstad is gebouwd op eilanden en ligt ingeklemd tussen een meer en de zee. Je wandelt er door het oude stadsdeel en bezoekt musea als het Vasa museum. Er is ook veel te doen voor weinig geld. Lokale gidsen lopen gratis stadswandelingen door het oude en het nieuwe deel van de stad, waarbij je alleen een fooi geeft. Dat is een van de manieren om Stockholm goedkoop of gratis te verkennen.
Wie een dagje de stad uit wil, neemt de boot naar de scherenkust, de archipel voor de kust van Stockholm. Elk eiland heeft daar een eigen karakter: Sandhamn heeft mooie stranden, op Utö maak je lange wandelingen en op Sävö kom je tot rust in de natuur.
Uppsala en de vikinggeschiedenis
De universiteitsstad Uppsala is kleiner en rustiger dan Stockholm. De grootste trekpleister ligt net buiten het centrum: Gamla Uppsala, letterlijk het oude Uppsala. Daar liggen drie grafheuvels, een kerk, een nagebouwd dorpje uit de negentiende eeuw en een vikingmuseum, op een plek die lang een belangrijk religieus en politiek centrum was.
Vanaf Gamla Uppsala loopt een wandelroute die naar de bioloog Linnaeus is genoemd terug naar de stad. Hij eindigt bij de botanische tuin. In het centrum zelf vind je de dom, het paleis, universiteitsgebouwen en bruggetjes over de rivier, die gastblogger Roos beschrijft in haar verhaal over Uppsala, het Leiden van Zweden.
Zuid-Zweden: Skåne en Småland
In Skåne, de zuidelijkste provincie, staat hoog boven zee Ales Stenar, een oude zetting van stenen in de vorm van een schip. Het nationaal park Stenshuvud verken je in een halve dag, met felblauw water en witte zandstranden. Op het schiereiland Kullaberg ten noorden van Helsingborg vind je ruige rotsen en eenzame vuurtorens. Malmö, de derde stad van Zweden na Stockholm en Göteborg, is de logische uitvalsbasis voor deze streek (bron: Visit Sweden).
In Småland ligt het nationaal park Store Mosse, een uitgestrekt moerasgebied met wandelpaden en uitkijkposten. Wat noordelijker ligt het Vätternmeer, een van de grootste meren van Zweden, met aan de oever het stadje Gränna en in het meer het eiland Visingsö. Ook het nationaal park Åsnen ligt in het zuiden: een gebied van oude bossen, meren en onbewoonde eilanden waar je in de zomer kajakt en in de herfst wandelt (bron: Visit Sweden).
Wil je elanden zien, dan is Småland een goede streek, maar kijk bij een elandenpark vooraf goed hoe groot het is. In het Isaberg Moose Park bleek een kaartje weinig meer op te leveren dan zicht op één omheining, terwijl een wandeling door de omliggende bossen meer liet zien.
West-Zweden: Bohuslän en Göteborg
De westkust heeft een eigen scherenkust, in de provincie Bohuslän. Fjällbacka is daar een van de mooiste dorpen: vanaf het water lijken de gekleurde huisjes een ansichtkaart. In de zomer is het er wel druk.
In dezelfde provincie ligt Gullmarn, volgens Visit Sweden de enige echte fjord van Zweden. Het water is er tot 120 meter diep, waardoor het een geliefde plek is om te duiken. Göteborg, de op één na grootste stad van het land, is een prettige basis voor dit deel van de kust, met hippe wijken en restaurants met een Michelinster (bron: Visit Sweden).
Ben je in april in West-Zweden, ga dan naar het meer Hornborgasjön. Elk voorjaar komen daar tienduizenden kraanvogels op af, die er wekenlang hun paringsdans uitvoeren (bron: Visit Sweden).
Midden-Zweden: Värmland, Dalarna en Jämtland
In Midden-Zweden draait veel om water. In het meer Vänern ligt de archipel van Lurö, met zo’n 250 eilanden de grootste zoetwaterarchipel van Europa. Je komt er met je eigen boot of met de veerboot vanuit Ekenäs. Tussen de eilanden ga je eilandhoppen met een kajak (bron: Visit Sweden).
Karlstad in Värmland ligt op de spoorlijn tussen Stockholm en Oslo. Een tussenstop is niet nodig en de stad heeft weinig grote bezienswaardigheden, maar wie onderweg een rustige avond aan het water zoekt, kan er uitstappen, zoals in het verhaal Er is niemand in Karlstad.
Dalarna is de provincie van het Siljanmeer. Bij Falun ligt het mijngebied van de Grote Kopperberg, waar sinds minstens de negende eeuw koper werd gewonnen tot de productie eind twintigste eeuw stopte. Het gebied staat sinds 2001 op de werelderfgoedlijst (bron: UNESCO). In het nationaal park Fulufjället stort de Njupeskär zich 93 meter naar beneden. Het is een van de hoogste watervallen van Zweden, die je bereikt via een gemakkelijke wandeling door het park (bron: Visit Sweden).
Verder naar het noordwesten ligt Jämtland. Bij het meer Stora Blåsjön ga je in de zomer met een gids de Koraalgrot in, met zes kilometer de langste grot van Zweden. Reken op kruipen door smalle doorgangen (bron: Visit Sweden).
Noord-Zweden en Lapland
In het noordoosten ligt de Hoge Kust, sinds 2000 UNESCO-werelderfgoed. Het land stijgt hier nog steeds, met ongeveer 8 millimeter per jaar, sinds het ijs van de laatste ijstijd verdween. Daardoor ligt de oude kustlijn nu 286 meter boven zee, de hoogste ter wereld (bron: Visit Sweden). Je wandelt, klimt en kajakt er langs de kust.
Verder naar het noorden begint Lapland. Bij Abisko kijk je vanaf de natuurwandeling die bij het bezoekerscentrum begint uit op Lapporten, een dal tussen twee bergen dat de Sámi de poort naar Lapland noemen. Kebnekaise, met 2.097 meter de hoogste berg van Zweden, beklim je vanuit Nikkaluokta: eerst 19 kilometer lopen naar het bergstation, daarna verder naar de top. Wie de natuur op zijn ruwst wil zien, trekt het nationaal park Sarek in, met bijna honderd gletsjers en geen comfortabele accommodatie: je kampeert er of overnacht aan de rand (bron: Visit Sweden).
Liever binnen? Het Icehotel in Jukkasjärvi bekijk je ook zonder overnachting. Het Ájtte museum in Jokkmokk vertelt over de cultuur van de Sámi en het berglandschap.
Het noorderlicht zie je in Noord-Zweden meestal van eind augustus tot begin april. Houd de voorspellingen in de gaten en zoek een donkere plek op. In de zomer krijg je er juist de middernachtzon voor terug: in Jokkmokk gaat de zon 32 dagen achter elkaar niet onder, in Abisko zelfs 55 dagen (bron: Visit Sweden).
Gotland en Fårö
Op de eilanden Gotland en Fårö in de Oostzee staan langs de kust de raukar, kalkstenen rotsen die in de laatste ijstijd door erosie zijn gevormd. Met wat fantasie zie je er een hond, een oude man of een meisje in. Bij Lergrav zie je een grote stenen boog, bij Langhammars een kaal, bijna buitenaards landschap. Trek goede schoenen aan, want de grond is rotsachtig en ongelijk (bron: Visit Sweden).
Wat te doen in Zweden per seizoen
Wanneer je gaat, bepaalt voor een groot deel wat je kunt doen. De tabel zet de hoogtepunten uit deze gids per seizoen op een rij.
|
Seizoen |
Wat je dan doet |
|
Lente |
De kraanvogels bij het meer Hornborgasjön in West-Zweden (april) |
|
Zomer |
Eilandhoppen in de scherenkust en bij Lurö, kajakken op de meren, de Koraalgrot in Jämtland, wandelen in de bergen en de middernachtzon in Lapland |
|
Herfst |
Wandelen door kleurende bossen, zoals in Åsnen, bessen en paddenstoelen plukken en vanaf eind augustus de eerste kansen op noorderlicht |
|
Winter |
Noorderlicht in Lapland en het Icehotel in Jukkasjärvi |
Wil je het noorderlicht zien, plan dan een winterreis naar Lapland en geef jezelf een paar nachten, zodat één bewolkte avond niet meteen je kans kost. Zoek je zon en water, ga dan in de zomer naar de scherenkust of de meren van Midden-Zweden.
Vrij de natuur in met het allemansrecht
Wat Zweden voor buitenmensen zo makkelijk maakt, is het allemansrätten, het recht op vrije toegang. Je mag vrij door de natuur zwerven, zolang je geen schade aanricht of overlast veroorzaakt (bron: Visit Sweden). Zo wandel je door bossen en pluk je in de herfst bessen en paddenstoelen, ook buiten de nationale parken.


